Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA7772

Datum uitspraak2007-06-12
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03590/06 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening.


Uitspraak

12 juni 2007 Strafkamer nr. 03590/06 H IC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 8 september 2005, nummer 09/017049-04, ingediend door mr. P.A.L.C. Lamme, advocaat te Zoetermeer, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van telkens opzettelijk overtreden van een in artikel 91 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 jo. de artikelen 1 en 3 van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 1989, Stcrt. 1989, 107, bedoelde verplichting niet nakomen, (de Hoge Raad leest: begaan door een rechtspersoon,) terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" en 2. "medeplegen van telkens opzettelijk een in artikel 10 van de Coördinatiewet sociale verzekering jo een in artikel 8, 2 en 13 van het Loonadministratiebesluit bedoelde verplichting niet nakomen, (de Hoge Raad leest: begaan door een rechtspersoon,) terwijl hij telkens feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. 2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de aanvrage 3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken. 3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 juni 2007.